De Voertuigbeheersing

Examen Voertuigbeheersing (AVB)

De bijzondere verrichtingen

Hieronder volgt een beschrijving van de bijzondere verrichtingen. Bij iedere bijzondere verrichting staat een korte omschrijving van de verrichting.
In de toepassing van de rijprocedure staan de exameneisen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de bijzondere verrichting voldoende wordt uitgevoerd. Dit zijn de minimale eisen die de wet aan de uitvoering stelt.
Met behulp van deze beschrijvingen zijn de instructeur en de A examinator in staat te beoordelen of de uitvoering voldoende is. De bijzondere verrichtingen vormen het examen voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A (beperkt).
Met uitzondering van de bijzondere verrichtingen hellingproef, open afstappen en voorbereidings- en controlehandelingen.
Deze maken deel uit van het examen verkeersdeelneming.
De bijzondere verrichtingen in het examen voertuig beheersing zijn onderverdeeld in clusters Een aantal verrichtingen is verplicht.

Clusterindeling Bijzondere Verrichting Keuze of verplicht
Cluster 1 Lopend achteruit parkeren verplicht
Cluster 2 Langzame slalom verplicht
Denkbeeldige acht keuze
Halve draai keuze
Stapvoets rijden keuze
Wegrijden uit (parkeer)vak keuze
Cluster 3 Uitwijkoefening verplicht
Snelle slalom keuze
Vertragingsoefening keuze
Cluster 4 Noodstop verplicht
Precisiestop keuze
Stopproef keuze

Het examen voertuig beheersing toetst of de kandidaat motorrijder voldoende basis voertuigbeheersing bezit om veilig en correct aan het verkeer deel te nemen.
De examinator kiest zeven van de twaalf verrichtingen, waarvan de kandidaat er vijf voldoende moet uitvoeren.
Het instabiele karakter van een motorfiets stelt hoge eisen aan de vaardigheden van de bestuurder. In feite begint dit al bij het van de standaard halen, opstappen en wegrijden.
Maar ook bij het manoeuvreren, langzaam rijden, rijden van bochten en remmen zijn specifieke vaardigheden vereist om de motorfiets goed onder controle te houden. Het op veilige en juiste wijze beheersen van de motorfiets in bediening, stuurgedrag en bewaren van balans is dan ook belangrijk.
Voor de uitvoering van de bijzondere verrichtingen is voertuigbeheersing nodig.
De algemene eisen ten aanzien van voertuig beheersing staan reeds omschreven in hoofdstuk 1 van de huidige Rijprocedure A Bij de examenbeoordeling van de bijzondere verrichtingen wordt daarnaast gelet op de volgende aspecten:

  • Een juiste bediening
    het zelfstandig doseren en gebruik maken van de bedieningsorganen, zoals rem(men), koppeling en gas. Van een licht trekkende motor is sprake wanneer de bestuurder door middel van gas geven de motor meer vermogen laat leveren dan welke de motor, met een stationair toerental zou leveren De aandrijflijn blijft hierbij gespannen
  • Een juist stuurgedrag
    stuurvastheid tonen en de motorfiets in bochten kunnen afschuinen door een juiste (kijk)techniek en lichaamshouding toe te passen. Het op de juiste manier toepassen van de 'tegenleun'-techniek wordt hierbij positief beoordeeld
  • Het bewaren van balans
    het te allen tijde behouden van het evenwicht met de motorfiets.
    Omdat de kandidaat de bijzondere verrichtingen buiten de openbare weg of op een verkeersluw (parkeer)terrein uitvoert, is het letten op het overige verkeer (om geen schade of hinder te veroorzaken) geen beoordelingsaspect.

De volgende bijzondere verrichtingen maken deel uit van het examen voertuigbeheersing:

  • lopend achteruit parkeren in een (parkeer)vak
  • langzame slalom
  • denkbeeldige acht
  • halve draai
  • stapvoets rijden
  • wegrijden uit (parkeer)vak
  • uitwijkoefening
  • snelle slalom
  • vertragingsoefening
  • noodstop
  • precisiestop
  • stopproef.

De volgende bijzondere verrichtingen maken deel uit van het examen verkeersdeelneming:

  • op- en afstappen
  • voorbereidings- en controlehandelingen
  • hellingproef.

Opmerkingen:
Op- en afstappen komt op verschillende momenten aan de orde tijdens zowel het examen voertuig beheersing als het examen verkeersdeelneming.
Voorbereidings- en controlehandelingen worden getoetst bij aanvang van het examen verkeersdeelneming.
De hellingproef wordt alleen getoetst tijdens het examen verkeersdeelneming, en dan alleen als de kandidaat in een verkeerssituatie op een hellend weggedeelte stopt.

uitvoerings- en slagingscriteria
De uitvoerings- en slagingscriteria van het examen voertuigbeheersing zijn als volgt.
De kandidaat:

  • voert per definitie de bijzondere verrichting uit cluster 1 uit
  • voert twee bijzondere verrichtingen uit, uit elk van de clusters 2 tot en met 4 waarvan in ieder geval de verplichte oefening
  • moet in de clusters 2 tot en met 4 tenminste één bijzondere verrichting per cluster voldoende hebben
  • mag bij elke bijzondere verrichting (nadat deze als onvoldoende is gekwalificeerd) één maal herkansen
  • moet na eventuele herkansing tenminste vijf verschillende bijzondere verrichtingen voldoende uitvoeren

Wie is online

We hebben 12 gasten en geen leden online

Fanbox